Als je als werknemer langdurig arbeidsongeschikt bent, kom je in de WIA. Bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid kan het inkomensniveau flink lager uitvallen dan in de situatie voor arbeidsongeschiktheid; het zogenaamde ‘WGAhiaat’. Verzekeraars hebben zich vanaf eind 2005 gemeld om deze inkomensachteruitgang te verzekeren. Ook pensioenfondsen bieden echter dekking voor dit risico, vaak als voortzetting van een oude WAO-dekking. Maar mag een pensioenfonds het WGA-hiaat nou wel verzekeren? Hoort dit wel bij haar afgebakende taak? Hier is veel discussie over geweest en het lijkt er op dat de partijen bijna uitgepraat zijn.
De komst van de WIA heeft het er niet makkelijker op gemaakt. Vroeger was het eigenlijk best eenvoudig. Na een periode van ziekte kreeg een werknemer een WAO-uitkering toegekend op basis van zijn arbeidsongeschiktheidspercentage, punt. Omdat er in 1993 een WAO-vervolguitkering met bijbehorend ‘gat’ werd bedacht, bedacht de markt een WAO-hiaatverzekering. Deze verzekering werd uitgevoerd door schadeverzekeraars en pensioenfondsen. De schadeverzekeraars sloten met werkgevers collectieve verzekeringen waarop het personeel van de werkgever verzekerd was. Indien een werknemer aangesloten was bij een collectieve pensioenregeling, dan was het WAO-hiaat veelal bij het pensioenfonds ondergebracht. Uiteindelijk was zo’n 80 procent van de Nederlandse werknemers verzekerd voor het WAO-hiaat.
De WAO is op het gebied van reactivering van de uitkeringsgerechtigde geen doorslaand succes geweest, tenzij ‘zwart werken’ daarbij wordt betrokken. Dit is één van de belangrijkste redenen dat, ondanks het succes van Poortwachter en verlenging van de loondoorbetalingsverplichting, toch de WIA is ingevoerd. Het grote onderscheid zit hem in de regeling Werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten. Voor de gedeeltelijk arbeidsgeschikte is het zaak zijn resterende verdiencapaciteit te benutten. Doet hij of zij dat in voldoende mate, dan is een beloning in de vorm van een loonaanvulling zijn of haar deel. De andere kant van de medaille is dat bij onvoldoende benutting er een uitkering op basis van het minimumloon vermenigvuldigd met het arbeidsongeschiktheidspercentage wordt verstrekt. In het laatste geval zal er voor veel uitkeringsgerechtigden een dramatische terugval in inkomen ontstaan.
’De wettelijke dekking van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) is toereikend. Aanvullende verzekeringen zijn op zichzelf niet nodig en een algehele reparatie is ongewenst. Er komen naar verwachting wel collectieve verzekeringen die een aanvulling geven op de uitkering die gedeeltelijk arbeidsgeschikten krijgen als zij werken, de zogeheten loonaanvulling’. aldus toenmalig minister van sociale zaken De Geus in 2006.
De praktijk heeft hem ongelijk gegeven. Er is inmiddels een breed scala aan WGA-aanvullingsverzekeringen ontstaan. Met name de WGA-hiaatverzekering, die juist nìet uitkeert
als aanvulling op de loonaanvulling, wordt door de meeste verzekeraars aangeboden. Ook enkele pensioenfondsen hebben deze aanvullingsregeling inmiddels opgenomen in het reglement.
De Pensioenwet heeft in 2007 de Pensioen- en Spaarfondsenwet (PSW) vervangen. Sinds de invoering van de PSW in 1954 is er op sociaalzekerheidsvlak het een en ander gebeurd. Zo heeft de WAO zijn intrede gedaan, is deze beperkt in uitkering en is deze inmiddels opgevolgd door de WIA. De uitvoerders, de pensioenfondsen hebben al die jaren collectief, voor alle werknemers van een bepaalde onderneming of aangesloten bij een bepaalde branche, het ouderdoms-, nabestaanden- en arbeidsongeschiktheidspensioen verzekerd. Met de komst van de nieuwe wetten inzake pensioen en arbeidsongeschiktheid is er plotseling onduidelijkheid
ontstaan. De Pensioenwet lijkt echter duidelijk te zijn. Daarin staat namelijk exact beschreven wat een arbeidsongeschiktheidspensioen inhoudt. Dit pensioen moet aan de volgende drie voorwaarden voldoen:
- Er moet een koppeling zijn met de arbeidsverhouding;
- Het pensioen moet leiden tot een geldelijke uitkering;
- Het betreft een persoonsgebonden uitkering voor arbeidsongeschiktheid.
In de laatste voorwaarde zit natuurlijk de onduidelijkheid. De uitkering moet gebaseerd worden op arbeidsongeschiktheid. Waar houdt het arbeidsongeschiktheidsrisico op en begint het werkeloosheidsrisico? De betrokken partijen – De Nederlandse Bank, de verzekeraars en de regering – hebbendaar zo hun eigen mening over.
Al in 2005 heeft de Nederlandse Bank (verder DNB) zich gebogen over de vraag of de WGA-aanvullingsverzekering uitgevoerd mag worden door pensioenfondsen. Logisch, want het is immers aan de DNB om te beoordelen of producten die door pensioenfondsen worden uitgevoerd, aan de vereisten van de pensioenwetgeving voldoen. Het standpunt van DNB was duidelijk; de aanvulling op een WGA is niet aan te merken als arbeidsongeschiktheidspensioen maar als schadeverzekering. De reden hiervoor is dat er bij de WGAaanvullingen gebruik gemaakt wordt van anticumulatie. De uitkering is afhankelijk van de verdiensten van een werknemer en daarmee wordt het werkloosheidsrisico gedekt. Dat mag niet van de Pensioenwet. Wat wel zou mogen is een WIA-excedentverzekering of een WIA-aanvulling op basis van vaste bedragen. Deze zijn voor wat betreft de uitkering immers volledig gebaseerd op het arbeidsongeschiktheidspercentage.
De verzekeraars zijn het natuurlijk met De Nederlandse Bank eens. Het Verbond van Verzekeraars vindt dat WGAhiaatverzekeringen niet door Pensioenfondsen mogen worden uitgevoerd omdat er sprake is van een werkloosheidsrisico. Dat werkloosheidsrisico zit hem in de toekenning van een uitkering vanuit de hiaatpolis. Deze aanvulling wordt namelijk alleen uitgekeerd als een werknemer recht heeft op de WGA-vervolguitkering. De WGA-vervolguitkering is van toepassing indien de werknemer minder dan 50 procent van de resterende verdiencapaciteit benut. Wordt er wel minimaal 50 procent van die verdiencapaciteit benut, dan krijgt de werknemer een WGA-loonaanvulling en is er geen recht op een uitkering van de WGA-hiaatverzekering. In beide situaties kan het arbeidsongeschiktheidspercentage gelijk zijn. Kortom de uitkering van een WGA-hiaatverzekering is niet alleen gekoppeld aan het arbeidsongeschiktheidspercentage maar varieert met de mate van werkloosheid. En dekking van het werkloosheidsrisico, dat mag niet van de Pensioenwet.
De verzekeraars komen ook met enkele praktische bezwaren. Zo vinden zij dat het lastiger wordt om mee te financieren bij re-integratietrajecten door een afname van het financieel belang. Het is voor een verzekeraar immers interessanter om bij te dragen aan een re-integratietraject als niet alleen het verzuim of het WGA-eigenrisicodragerschap bij hem is verzekerd, maar ook nog de WGA-aanvulling van de werknemers tot aan de 65-jarige leeftijd. Voor pensioenfondsen is het aan de andere kant lastig om zich te bemoeien met re-integratie (of preventie) omdat de zieke werknemer pas na 104 weken bij hen in beeld komt. Verder merkt het Verbond van Verzekeraars op dat er sprake is van oneerlijke concurrentie omdat pensioenfondsen lichtere solvabiliteitseisen kennen dan verzekeraars.
Het uitgangspunt van de regering waar het gaat om WIAverzekeringen is dat er een prikkel tot werken moet zijn. Zij stelt dat de WGA-hiaatverzekering deze prikkel heeft omdat bij meer werken de uiteindelijke inkomsten hoger zijn. Wordt er een vervolguitkering toegekend, dan kan een werknemer iedere verdiende euro immers in zijn eigen zak steken. Zorgt toename van inkomsten ervoor dat de werknemer een loonaanvulling krijgt, dan is zijn uiteindelijke inkomen ook hoger ondanks dat er geen recht meer is op een WGA-hiaatuitkering. Indien elke verdiende euro leidt tot een evenredig hoger totaalinkomen dan is er, zo stelt de regering, geen dekking van het werkloosheidsrisico. Het argument van de verzekeraars en DNB dat er wel een WW-risico wordt verzekerd omdat er alleen bij onvoldoende werk wordt uitgekeerd vindt de regering onjuist. Dit is gewoon een gevolg van het verschil tussen het vaststellen van de vervolguitkering en de loonaanvulling en heeft niets met werkloosheid te maken. Hoe zit het dan met de oneerlijke concurrentie? De regering vindt dat de pensioenfondsen bij alle producten die zij aanbieden de traditionele wezenskenmerken van pensioenfondsen dienen te respecteren, te weten collectiviteit en solidariteit. Waar een verzekeraar kan besluiten een verzekering niet te accepteren, bestaat voor pensioenfondsen de kans dat verplicht slechte risico’s binnengehaald worden. De regering is het daarom niet eens met de kritiek van het Verbond van Verzekeraars dat bij het aanbieden van WGA-hiaatverzekeringen sprake is van oneerlijke concurrentie.
Het hebben van een WGA-aanvullende verzekering is voor een werknemer wellicht een minder geruststellende gedachte indien hij zich verdiept in de WIA-instroomcijfers. Een groot deel van de arbeidsongeschikte werknemers is namelijk minder dan 35 procent arbeidsongeschikt. Het gevolg is dat er geen recht bestaat op een WGA-uitkering en daarom ook geen uitkering uit een WGA-aanvullende verzekering. De oorzaak van de relatief grote groep ’35-minners’ ligt in het vaststellen van de mate van arbeidsongeschiktheid. Het gaat daarbij om procentueel verlies aan (theoretisch) inkomen. Kort gezegd, wat verdiende iemand toen hij nog gezond was en wat kan hij nu nog verdienen. Hier vloeit uit voort dat werknemers met een hoger salaris een grotere kans hebben om bij arbeidsongeschiktheid in de WGA te komen dan werknemers met een lager salaris. Neem nu een grote groep werknemers die valt onder een pensioenfonds die de WGA-hiaatverzekering voert. Deze verzekering met verplichte deelname kenmerkt zich door collectiviteit en solidariteit. Dat is in dit kader wel opmerkelijk; het betreft hier een soort omgekeerde’ solidariteit van lager naar beter betaalden. Toch kan er voor de 35-minners wel een arbeidsongeschiktheidsdekking worden aangeboden. Ook door het pensioenfonds. Dat komt omdat een dergelijke uitkering voldoet aan de definities van het arbeidsongeschiktheidspensioen zoals dat in de Pensioenwet is vastgelegd. Onder de WAO was het ook al toegestaan dat een arbeidsongeschiktheidspensioen tot uitkering kwam aan iemand die minder dan 15 procent arbeidsongeschikt was, en dus geen recht had op WAOuitkering.
Als een aanvulling op de WIA valt onder het begrip ‘arbeidsongeschiktheidspensioen’, dan is op die aanvulling de Pensioenwet van toepassing. Het maakt daarbij niet uit of een verzekeraar of een pensioenfonds de uitvoerder van het product is. Dit heeft voor de verzekeraars die een WGA-hiaatverzekering in de markt hebben gebracht de nodige gevolgen. De belangrijkste is dat de verzekerden geïnformeerd moeten worden over een arbeidsongeschiktheidspensioen. Jaarlijks. Dit informeren gebeurt middels een Uniform Pensioenoverzicht, kortweg UPO. De UPO op zich is geen enkel probleem. Het is een standaard overzicht met daarin aangegeven, in formulevorm, hoe een uitkering bij arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld. Wat wel een probleem is, is dat dit overzicht per werknemer wordt verstrekt. De gegevens van de werknemer moeten dus bij de verzekeraar worden geadministreerd. Voorheen was het voor verzekeraars echter gebruikelijk om de WGA-hiaatverzekering alleen op bedrijfsniveau te administreren. Slechts bij de naverrekening werd er gevraagd om (beperkte) werknemersgegevens, zodat de definitieve loonsom en daarmee het premiebedrag kon worden vastgesteld.
Er is een hiaatverzekering waarover, voor wat betreft dit onderwerp geen enkele discussie bestaat: de WGA-hiaatverzekering uitgebreid. Deze verzekering, ook wel de ‘70 procentvariant’ genoemd, dekt namelijk ontegenzeggelijk een werkloosheidsrisico. (of chiquer: arbeidsmarktrisico) Een werknemer die dekking heeft onder deze verzekering krijgt tot 70 procent van zijn oude loon aangevuld als hij in de WGA komt. Ongeacht of er recht is op een WGA-vervolguitkering of een loonaanvulling. Anders gezegd; ongeacht of hij (voldoende) werkt of niet. Er zijn van deze verzekering wel verschillende varianten op de markt waarbij er een prikkel tot werken is ingebouwd. Zo wordt bij enkele verzekeraars 70 procent van het verschil tussen het oude en het nieuwe loon uitgekeerd waardoor van iedere verdiende euro toch nog 30 cent in de zak van de werknemer verdwijnt. Een andere beloningsmogelijkheid ontstaat bij verzekeraars die ingeval van de loonaanvulling niet 70 procent maar 75 procent uitkeren. In beide gevallen is de prikkel ‘bescheiden’ te noemen. Veel bedrijven hebben vanaf 2006 een WGA-hiaatverzekering afgesloten bij een verzekeraar. Indien blijkt dat zij deze dekking verplicht af moeten nemen bij hun pensioenfonds dan zal de verzekeraar de dekking moeten beëindigen. Misschien is er dankzij de WGA-hiaat uitgebreid een escape mogelijk. Er bestaat een mogelijkheid dat bedrijven, in sectoren met verplichte uitvoering door het pensioenfonds, dispensatie krijgen om de WGA-aanvulling ‘elders’ af te nemen. Deze dispensatie zal een grotere kans van slagen hebben indien de dekking bij de verzekeraar niet alleen gelijkwaardig maar uitgebreider is dan in de pensioenregeling.
Het hete hangijzer in de hele discussie is het werkloosheidsrisico. De pensioenfondsen mogen dit niet dekken en de verzekeraars wel. De verzekeraars hebben in het verleden zelfs al aangegeven dat zij onder voorwaarden de WW wilden uitvoeren. Tot nu toe zagen werkgevers niet veel in de zogeheten privatisering van de WW. Eerst moest het ontslagrecht maar eens gewijzigd worden. We weten wat daarin de ontwikkelingen zijn. Toch is deze gedachte weer nieuw leven ingeblazen. Onder leiding van oud TNT-topman Peter Bakker, deed de naar hem vernoemde commissie onlangs enkele voorstellen om de arbeidsparticipatie te optimaliseren. Eén daarvan was ingrijpen in de WW. Het voorstel is om de WW te vervangen door een Werkverzekering. In de Werkverzekering ligt de nadruk op activering en participatie. Na ontslag houdt de werkgever een loondoorbetalingsplicht van zes maanden waarin gekomen moet worden tot re-integratie van de werknemer. Dit moet de huidige verzuim- en WIA-verzekeraars als muziek in de oren klinken.
De verzekeraars hebben duidelijk een ander standpunt dan de regering. Wie heeft er gelijk? Dat doet er niet zo toe want de regering is de baas. Voor schadeverzekeraars lijken de dagen van de WGA-hiaatverzekering geteld. De pensioenfondsen hebben een (toekomstig) grote afzetmarkt waarbij deelname veelal verplicht is. Deelnemersgegevens ten behoeve van de UPO zijn al voorhanden, dus in tegenstelling tot de verzekeraars hebben zij geen extra administratieve lasten. Het blijkt inmiddels dat deze hele ontwikkeling al effect heeft gehad op het productenpalet van de verzekeraars. Zelfs de ooit meest fervente tegenstanders onder de verzekeraars zien inmiddels in dat de WGA-hiaat uitgebreid dankzij het werkeloosheidsrisico toch niet zo’n verkeerde oplossing is. Bron: Beursbengel september 2008 Auteur: Jeroen Vluggen